Hervorming aanvullende financiŽle hulp

14 januari 2015

In het Bestuursakkoord 2013-2018 staat dat het OCMW een nieuw systeem zal uitwerken van aanvullende financiële steun, waarbij zowel de hoogte van het gezinsinkomen als het minimaal bestedingspatroon om menswaardig te leven, bepalend zijn.

Tot op heden kenden we een forfaitaire vergoeding voor huurtussenkomst, energietoelage, schoolpremie en nog andere …

Het nieuwe systeem is weloverwogen en grondig beredeneerd en ligt nu ter goedkeuring voor.

De aanzet hiervoor werd gegeven in de vorige legislatuur. Toen al werd het actualiseren van de aanvullende steun naar voor geschoven als één van de prioriteiten. Ik maak van deze gelegenheid dan ook gebruik om de diensten te danken voor het vele voorbereidende werk in deze uiterst complexe materie.

Collega’s, voor ons ligt een degelijk onderbouwde en bedachtzame nota.

Het nieuwe systeem kenmerkt zich door slechts te bestaan uit één algemene maandelijkse aanvullende toelage.

Die maandelijkse toelage houdt enerzijds rekening met het onderzoek van Storms en Vandenbosch over de budgetstandaarden, maar anderzijds ook met de budgettaire beperkingen - lees: draagkracht - van het OCMW.

Deze steunverlening zal met andere woorden gebeuren op een, voor de cliënt, verstaanbare en doorzichtige manier.

Prioritair – trouw aan de missie van dit bestuur om kinderarmoede het hoofd te bieden - zal de aanvullende steun worden verhoogd voor gezinnen met minderjarige kinderen in functie van een meer menswaardig inkomen.

Armoede, collega’s, kent veel definities en is gerelateerd aan een laag inkomen en een welbepaalde levenssituatie. Maar alle definities, enerzijds hoe gelijkend ook, anderzijds hoe verschillend ook, hebben één iets gemeen: ze wijzen allemaal op een tekort.

En wat de oorzaak is van het tekort doet eigenlijk niet ter zake, evenmin de schuldvraag over armoede. Armoede is vaak niet eens de schuld van de arme, maar veelal een samenloop van omstandigheden, omgevingsfactoren, die vaak determinerend zijn of gewoonweg ‘ongeluk’ … Het woord zegt het zelf ’on-geluk’, de negatie van geluk.

Wat wel als een paal boven water staat, en door iedereen wordt erkend, is dat een job vaak de uitweg vormt naar een beter bestaan.

Werken levert vooreerst een inkomen op, maar ook sociale contacten met mensen op de werkvloer, maatschappelijke erkenning en waardering en tot slot ook voldoening en arbeidsvreugde. Allemaal elementen die leiden naar zelfontplooiing van het individu. Niet alleen de mens zelf, maar ook zijn omgeving wordt hier beter van.

Wie geen job heeft is niet alleen kwetsbaarder, maar heeft ook een verhoogde kans op armoederisico’s.

“Een arbeidsmarktbeleid is het best gediend met een tweesnijdend zwaard”, stelt Ivan Van de Cloot van denktank Itinera in De Morgen van 22 december 2014.

Ik citeer: “Wanneer je uitkeringen verhoogt, verlaag je de incentives om een baan te zoeken. Omgekeerd is het ook gevaarlijk ze te verlagen wanneer er, zeker voor laaggeschoolden, heel weinig jobs zijn. Daartussen moet een evenwicht worden gevonden. Een goed beleid combineert activering mét beschermingsmaatregelen.”

Voorzitter, collega’s, ik denk dat we het allemaal eens zijn dat het leefloon en diverse andere uitkeringen vaak ontoereikend blijven om rond te komen. Denken we hierbij aan de prijsstijgingen op de energiemarkt, de woonmarkt, enz.

Als beleidsmakers mogen we onze ogen niet sluiten voor de realiteit. Maar binnen de schoot van het OCMW Gent kunnen we ook niet alle lasten van de wereld torsen.

Uiteindelijk blijft het de finale verantwoordelijkheid van de federale overheid om ervoor te zorgen dat het leefloon het toelaat een waardig leven te leiden.

Jullie zullen zich herinneren dat de meerderheidspartijen in de Raad van 11 februari 2014 volgende motie indienden:

“De Raad voor Maatschappelijk Welzijn van het OCMW van Gent verzoekt dat in het volgende federaal regeerakkoord voorzien wordt om de leefloonbedragen in de RMI-wet van 26 mei 2002 zo aan te passen dat het leefloon op korte termijn gevoelig verhoogd wordt tot een algemeen erkend menswaardig niveau, er in het kader van de gewenste activering rekening mee houdende dat er voldoende spanning blijft bestaan met de nettominimumlonen.”

Vandaag staat volgende passage in het Federaal Regeerakkoord:

“Er zal worden onderzocht of de regelgeving van het leefloon nog aangepast is aan actuele samenlevingsvormen en/of zorgvormen.

Ook tijdens de periode dat men een sociale uitkering geniet, mag niemand uit de boot vallen. De regering verhoogt geleidelijk de minimum sociale zekerheidsuitkeringen en de sociale bijstandsuitkeringen tot het niveau van de Europese armoededrempel. Hierbij wordt prioriteit gegeven aan de uitkeringen voor personen met het hoogste armoederisico. De sociale voordelen, die met sommige sociale uitkeringen gepaard gaan, zullen worden meegeteld in de vergelijking met de Europese armoedenorm. Deze verhoging kadert in de globale sociaal-economische beleidsstrategie. De regering ziet toe op voldoende spanning met een inkomen uit arbeid. Uitkeringsgerechtigden zitten vandaag vaak gevangen in een financiële werkloosheids- of inactiviteitsval omdat werken niet (of nauwelijks) meer opbrengt dan een uitkering in combinatie met bepaalde sociale voordelen. Zo dreigen zij bepaalde sociale voordelen te verliezen als ze aan de slag gaan”.

Ik meen in alle bescheidenheid te mogen stellen dat dit een eerste schuchtere stap is in de goede richting … de niet al te bijster positieve economische toestand indachtig.

Terug nu naar activering.

De activering via de arbeidsmarkt wordt gezien als een belangrijke manier om armoede aan te pakken. Het is niet de enige manier, maar - ook het Steunpunt tot Bestrijding van Armoede (2007) zei het al: “het is bewezen dat werkloosheid en armoede vaak hand in hand gaan”.

Ik vond inspiratie in een masterproef uit 2008, uitgewerkt door Lynn Veldeman aan onze UGent, met als titel: ‘Activering in de praktijk van het OCMW’.

Daarin lees je onder meer dat de term ‘activering’ oorspronkelijk uit Scandinavië komt, waar het ‘volledige tewerkstelling’ betekende. Later werd het een Europees begrip op supranationaal niveau dat doelt op de switch van het passieve naar actieve denken, gekoppeld aan allerlei activeringsmaatregelen, gericht op de arbeidsmarkt.

Zij verwijst daarbij ook naar Robert Henry Cox, een Amerikaans professor die in zijn befaamde studie ‘From safety net to trampoline: labor market activation in the Netherlands and Denmark (1998)’ stelt dat inactiviteit naar sociale exclusie leidt. Uitkeringen kunnen de materiële problemen voor even oplossen, maar kunnen de sociale contacten en vaardigheden die men opdoet op de werkvloer niet vervangen. Het niet-hebben van werk leidt zo naar een verlies van zelfwaarde met bijhorende problemen.

Arbeid is duidelijk bepalend voor het risico op armoede. Enkele cijfers: werkenden lopen slechts voor 4 % een risico op armoede, bij niet-werkenden zien we dat het risico op armoede bij werklozen oploopt tot 20,3 %, bij zieken en invaliden 25,3 % en bij anderen niet-werkenden tot 25,4 %.

De Interfederale Armoedebarometer geeft ook een duidelijk zicht op de bevolkingscategorieën met een sterk verhoogd armoederisico.

Lopen een belangrijk risico op armoede:

-alleenstaande ouders,

-alleenstaande vrouwen ouder dan 65 jaar,

-mensen met een laag opleidingsniveau en

-niet EU-onderdanen.

Onze dienst Activering heeft dan ook een heel belangrijke taak, die zij schitterend uitvoeren: zoveel mogelijk cliënten (met een leefloon) begeleiden naar een duurzame job.

Wij beseffen heel goed dat een duurzame job op de reguliere arbeidsmarkt niet voor iedereen haalbaar is. Sommige mensen zijn spijtig genoeg niet, of niet meer, activeerbaar. Maar voor alle andere, waar er nog een mogelijkheid aanwezig is, al is het miniem, is het onze maatschappelijke en menselijke plicht om hen die kans te bieden. Kansen geven aan mensen opent tegelijk een ruiker van hoop.

Wij, liberalen, zijn van mening dat niemand, maar dan ook niemand, uit de boot mag vallen. Wie door een veelheid van problemen (niet onmiddellijk) aan een job geraakt, moet ook worden geholpen. Dit kan bijvoorbeeld door vrijwilligerswerk (arbeidszorg) via de emancipatorische werking. Met een op maat gemaakt individueel traject willen we dat de cliënten de hoogst haalbare trap bereiken op de activeringsladder.

De Open Vld raadsleden zijn van mening dat het verhogen van het inkomen via AFH niet mag demotiveren tot het leveren van activeringsinspanningen. De grens waarbij wij het inkomen bijpassen met een aanvullende financiële hulp moet altijd lager liggen dan het inkomen dat men zou ontvangen bij een voltijdse tewerkstelling aan een minimumloon. Er moeten nog voldoende financiële prikkels zijn om werk te zoeken en te aanvaarden.

Vandaar dat wij vanuit liberale invalshoek aan die aanvullende financiële hulp ook activeringsvoorwaarden verbinden. Meewerken aan het hulpverleningstraject is de motiverende factor – en zoals men dat in de literatuur formuleert : het motorisch moment - om blijvend recht te hebben op aanvullende financiële hulp. Wanneer blijkt dat iemand te weinig of helemaal niet op zoek gaat naar werk, dreigt die man of vrouw zijn of haar bijkomende steun te verliezen.

Om mensen niet te laten wegdeemsteren in een situatie waar ook de hoop langzaam verbleekt, zijn wij sterk voorstander om de mensen na 6 maanden te evalueren en te begeleiden en waar nodig aan te sporen. Wanneer blijkt dat men rabiaat geen enkele inspanning levert om mee te gaan in het activeringsverhaal en quasi weigert om een job te zoeken, of daar geen enkele inspanning toe levert, wordt het spanningsveld verdubbeld. Na zes maanden volgt opnieuw een evaluatie en begeleidingsmoment. Wanneer men dan nog altijd pertinent weigert om enige inspanning te leveren wordt de aanvullende steun stopgezet.

Bij alleenstaanden en koppels zonder minderjarige kinderen kan worden beslist, indien de medewerking aan het hulpverlenings- en activeringstraject niet goed loopt, onmiddellijk over te gaan tot stopzetten van de AFH.

Voor alleenstaanden met kinderen en gezinnen met kinderen werken we met een tussentijds evaluatiemoment na 6 maand - gezien onze al aangehaalde missie om het hoofd te bieden aan kinderarmoede -

Wij noemen dat ‘het verhaal van rechten en plichten’!

Wij zien de aanvullende steun als een aanmoediging voor cliënten die meewerken aan het hulpverleningstraject en zich inzetten in het kader van activering. Wij zijn er rotsvast van overtuigd, dat dergelijk aanmoedigingssysteem alleen maar positief kan worden gepercipieerd omdat de uiteindelijke doelstelling om werk te krijgen de beste ontsnappingsroute is uit de armoedespiraal.

Bijgevolg, collega’s en voorzitter, rust er een grote maatschappelijke taak op de schouders van de maatschappelijk assistenten want zij zullen ‘on the field’ moeten beoordelen of men inspanningen levert tot activeren … of men meegaat in het traject … en zodoende de hoop koestert.

Die taak is niet evident.

Als eerstelijnsdienst staan de hulpverleners in een OCMW in direct contact met de cliënten. De hulpverleners wagen zich dagelijks in het spanningsveld tussen vragen en noden van de cliënt, en de feitelijke beperkingen van de vigerende en een vaak wijzigende regelgeving.

In de al genoemde masterproef wordt ook verwezen naar Michael Lipsky, Amerikaanse professor in politieke wetenschappen, die in zijn studie ‘Street-level bureaucracy: dilemmas of the individual in public services’ (1980) stelt dat maatschappelijk werkers worden ingeschaald bij de zogenaamde ‘street-level-bureaucrats’, net zoals leerkrachten en politie. Het zijn allemaal uitvoerenden in dienstverlenende bureaucratieën.

In de uitoefening van hun taak oefenen zij m.a.w. een grote invloed uit op de concrete realisatie en uitvoering van het regulerend kader. Zij hebben dan ook vrije handelingsruimte wanneer ze direct contact hebben met cliënten. De invloed van elk van hen mag nooit worden onderschat.

In deze masterproef, maar ook in andere masterstudies in Sociaal Werk, wijst men op de discretionaire ruimte. Dat is de handelingsruimte, die ontstaat doordat algemene regels in de dagelijkse praktijk ruimte laten voor interpretatie (voor geïnteresseerden zie De Savornin Lohman & Raaff, 2001).

Concreet kan de maatschappelijk werker in een OCMW gedeeltelijk zijn of haar positie kiezen: meer naar de zijde van de cliënt of dichter aanleunend bij de regelgeving. De maatschappelijk werkers staan in rechtstreeks contact met hun cliënten en hebben dus ongetwijfeld een ruime impact op het leven van de burgers.

De uiteindelijke beslissing voor de voormelde financiële bijstand mag dan wel worden genomen door deze Raad voor Maatschappelijk Welzijn maar het is aan de maatschappelijk werker om deze concreet vorm te geven.

In de praktijk komt het er dus op neer dat het aan de maatschappelijk werker is om te beslissen hoe de cliënt de bereidheid tot tewerkstelling kan bewijzen en wanneer billijkheidsredenen kunnen worden ingeroepen. Zij hebben m.a.w. de sleutel van deze maatregel in de hand.

De hulpverleners werken met allerlei onvoorspelbare omgevingsfactoren en mensen met verschillende noden en behoeften. ‘Street-level bureaucrats’ moeten op gepaste wijze kunnen reageren op uiteenlopende situaties. In vele gevallen zijn er ook geen pasklare antwoorden beschreven of voorzien in de regelgeving waardoor de hulpverleners enkel maar kunnen doen wat hen in dat bepaald geval het beste lijkt.

De setting waarin ze werken, zorgt dus voor handelingsruimte met enige autonomie.

Dit alles om te zeggen dat wij OCMW-raadsleden groot respect hebben voor onze maatschappelijk werkers. Wij stellen het volste vertrouwen in elk van hen, want wij zijn ervan overtuigd dat zij zich in die handelingsruimte in eer en geweten bewegen, en zodoende maatschappelijk een verschil kunnen maken door het realiseren van onze regelgevend werk in dit democratisch orgaan. Trouwens, realiseren betekent in veel verklarende woordenboeken: ‘in realiteit omzetten’, ‘creëren’, ‘scheppen’ … en heel vaak wordt het woord in verband gebracht met het ‘realiseren van een droom’ … Zodoende, ligt hier voor onze medewerkers een zeer creatieve en stimulerende opdracht op tafel, met grote maatschappelijke relevantie en maatschappelijke meerwaarde.

Voorzitter, collega’s, om het voor de maatschappelijk werkers ‘werkbaar’ te maken, zal Cevi een tool ontwikkelen om het bedrag van de aanvullende financiële hulp te berekenen. Van zodra deze tool klaar is, kunnen we met het nieuwe systeem van start gaan.

De Open Vld-fractie kijkt ernaar uit en zal deze nota met heel veel ‘goesting’ goedkeuren.

Ik dank u.

Yoeri Note

(Tussenkomst in de OCMW-raad van 14 januari 2015)

Voor de werking van deze website en om uw surfervaring te verbeteren worden cookies gebruikt. Meer info.